Hoe te gebruiken?

De cijfers op deze site vormen een eerste aanknopingspunt om te onderzoeken hoe uw schoolbestuur er financieel voor staat. Het gaat dus om het bestuur dat misschien één school onder zijn hoede heeft, maar ook twintig scholen kan besturen. Bedragen per school hebben wij niet. Een compleet overzicht kunt u krijgen door de volledige jaarrekening op te vragen – een openbaar stuk dat iedere schoolbestuur verplicht is te maken en aan de medezeggenschapsraad moet overhandigen. Daar kan men vaak ook informatie over de financiële huishouding van afzonderlijke scholen in vinden. Daarnaast zijn er natuurlijk begrotingen voor de komende jaren. Wellicht is een schoolbestuur nu volgens de normen te rijk, maar heeft men wel plannen om geld uit te geven. Vraag daar zelf naar of schakel de medezeggenschapsraad in.

Wat vertellen de cijfers?

Allereerst ziet u de jaarlijkse inkomsten en uitgaven van het schoolbestuur, gevolgd door het bedrag dat overblijft of tekort is op de jaarlijkse begroting. Daarna wordt het overig resultaat, bij de meeste besturen voor het overgrote deel de rente uit het vermogen, daarbij opgesteld. Om te beoordelen of een schoolbestuur erg veel of erg weinig uitgeeft bepaalt men de rentabiliteit: het resultaat gedeeld door de totale inkomsten. Bij een rentabiliteit boven de nul maakt een bestuur ‘winst’. Een rentabiliteit van 0 tot plus 5 wordt als normaal beschouwd. Een meerjarige rentabiliteit die hoger ligt betekent dat het bestuur erg veel spaart, langdurig in de min zitten kan betekenen dat het schoolbestuur financieel moeilijk zit. Als extraatje is aangegeven hoeveel van de uitgaven naar het personeel gaan.

De balans laat de welvaart van het schoolbestuur zien. De bedragen van het vermogen en de voorzieningen voor uitgaven in de toekomst zijn interessant, maar vooral belangrijk is of de reserves te hoog zijn ten opzichte van de risico’s of de inkomsten. Om dat te beoordelen is de kapitalisatiefactor ingevoerd, het balanstotaal minus gebouwen en terreinen ten opzichte van de inkomsten.

Voor grote besturen (inkomsten meer dan 8 miljoen per jaar in het primair onderwijs en 12 miljoen in het voortgezet onderwijs) geldt dat een kapitalisatiefactor van 35 procent genoeg is. Voor kleine schoolbesturen (inkomsten dan 5 miljoen per jaar in het primair onderwijs en 6 miljoen in het voortgezet onderwijs)is de norm daarvoor 60 procent. Daartussen in geldt een glijdende schaal. Aan de kleur kunt u zien of de school te veel spaart of te weinig vermogen heeft.

Voor de BVE, het HBO en de Universiteiten is nog geen norm vastgesteld. Daar moet u nog kijken naar de solvabiliteit. Daar geldt in de regel dat 10 procent te weinig is en 60 procent dat een instelling te veel geld heeft gespaard.

Samengevat luiden de in deze paragraaf voorgestelde signaleringsgrenzen:
PO/VO
 Ondergrens Bovengrens
Solvabiliteit 20% geen
Kapitalisatiefactor geen 35-60% afhankelijk omvang*
Rentabiliteit 0% 5%
BVE/HBO/Universiteit
Solvabiliteit 10% 60%

Waar komen de cijfers vandaan?

Alle cijfers worden ieder jaar door de scholen aangeleverd aan het ministerie van Onderwijs en door het ministerie na bewerking aan de AOb aangeleverd. Voor 2010 zijn de voorlopige cijfers ingevuld door leden en werknemers van de AOb.